Brieven aan April Glaspie #12
Willem de Wolf (21/1/2020)

Dear April,

Ik zit nu op uw plek! Terwijl aan de overkant van de straat de impeachment-hearings zijn begonnen, zit ik op uw stoel in vergaderruimte 419 van the Senate Foreign Relations Committee en het valt me op dat het tafelkleed waarover u gebogen zat tijdens uw hearing en waar u af en toe over wreef, korrelig is geworden. En ik moet zeggen dat ik denk dat het wrijven daardoor nu nog aangenamer is. Ik heb het al een paar keer geprobeerd, op dezelfde manier als waarop u het deed op 20 maart 1991. Met de volle gespreide hand in een tergende beweging over de stof, alsof u heel langzaam en secuur iets wegveegt. Wat u natuurlijk ook deed toen; langzaam en secuur iets wegvegen.

Denkt u dat het nog hetzelfde tafelkleed is? Denkt u dat het tafelkleed is vervangen? Het is dertig jaar geleden. Eerst dacht ik van wel. Later dacht ik van niet. Ik heb de indruk dat er in het Dirksen Senate Office Building zo weinig mogelijk wordt vervangen, dat er de behoefte bestaat om in alles ‘in ere te laten’. Tot en met de tafelkleden.

In de tekst laat ik u zeggen, dat u zich door de ruimte, de inrichting, de architectuur, de meubelen, maar ook door de gevolgde procedure aangemoedigd voelt om uw vertrouwen te geven. Dat het fijne houtwerk, de soliditeit van de materialen, maar ook de nauwlettendheid van het taalgebruik u het idee geven dat u zich in het middelpunt van een onwrikbare en nobele traditie bevindt. Dat u met iedereen die u daar omringt de verantwoordelijkheid voelt voor de democratie en de waarheidsvinding. Er is hier iets te verdedigen, denkt u, terwijl u dus met uw handpalm over die viltkorrels gaat.

Maar er moet nog wel iets aan die tekst gebeuren, denk ik nu. Het kan namelijk onmogelijk het enige zijn wat u heeft gedacht. Nu ik om mij heen kijk, merk ik dat de vormgeving ook op een onaangename manier intimideert. Wat je bijvoorbeeld helemaal ontgaat in de opnames die ik van u heb gezien, is dat de commissie in een halfrond om je heen zit en dat de leden aan de uiteindes eigenlijk gewoon naast je zitten. Op de televisie zie je behalve de vragende senator steeds enkel nog een of twee anderen. Maar het zijn er 24. Je bent door ze omsloten. 23 grijzende mannen, in uw geval, en een enkele vrouw, die stuk voor stuk ook nog eens iets hoger zitten dan u, klaar om naar op te kijken.

Op mijn terugweg vandaag zie ik dat ze voor Union Station een groot televisiescherm hebben neergezet, zodat je de impeachment-hearings de komende dagen live op straat kunt volgen als je het station uitkomt. En net als ik passeer tonen ze oude beelden van uw collega, de vrouw die ik natuurlijk sinds ik haar voor het eerst in haar hearing zag met u associeer, ambassadeur Yovanovitch. Net op het moment dat ik het wil fotograferen, omdat ik, na zo’n dag, verbijsterd ben over zoveel toeval, is het item afgelopen.

Ik moet u nog een ding vertellen. Ambassadeur Schermerhorn heeft toch contact met me gezocht. Ik kreeg een paar uur geleden een mailtje van haar. Ze vraagt of ik haar morgen wil bellen. Wat ze als eerste in haar mail benadrukt, is dat ze met pensioen is. En dat het allemaal lang geleden is en dat ze het niet over Irak kan hebben, omdat ze, zegt ze, er te weinig van weet. ‘You have to understand’. I do.

Sincerely,

Willem